Rob d B

Van de voorzitter.
februari 2019

Waarom het pensioenstelsel onrechtvaardig is

 

Veel geleerden buigen zich over het pensioenstelsel en vooral over de onderbouwing van de lage, risicovrije rekenrente. Het wordt steeds duidelijker dat er veel verschillende meningen zijn en dat er dus geen absolute objectieve waarheid bestaat.

 

De regering houdt, op advies van De Nederlandsche Bank, echter vast aan de huidige praktijk hetgeen leidt tot onverdraaglijke onrechtvaardigheden.

Het systeem van het aanvullend pensioen dat u bij Hoogovens, Corus en Tata Steel hebt opgebouwd is eigenlijk niet zo erg ingewikkeld. Er wordt premie afgedragen, die premie wordt berekend op basis van een verwacht rendement en als dat verwachte rendement wordt gehaald dan hebt u recht op een uitkering.

Als het rendement veel hoger is, dan is er ook ruimte voor indexering. Zo was het ook voordat de nieuwe Pensioenwet in werking trad. Het verwachte rendement was 4%, werd er gemiddeld een hoger rendement gemaakt over bijvoorbeeld tien jaar, dan kon worden geïndexeerd.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft enige jaren geleden duidelijk gedefinieerd wat deelnemers aan een pensioenregeling in handen hebben.

Zij hebben een voorwaardelijk vermogensrecht. Met andere woorden: Zij zijn --onder voorwaarden- bezitters van een deel van het vermogen van pensioenfondsen. Zij zijn crediteuren van een pensioenfonds.

Geenklanten! zoals het ABP de deelnemers wil noemen (die krijgen zelfs een klantennummer) maar mede-eigenaars van het vermogen.

 

De vraag is nu: onder welke voorwaarden moet het pensioenfonds dat vermogensrecht gestand doen? Daar geeft ons pensioenfonds duidelijk antwoord op. Het pensioen moet aan drie doelstellingen voldoen:

  •      de pensioenrechten van actieve deelnemers moeten worden geïndexeerd met de looninflatie
  •      de gepensioneerden moeten een pensioen krijgen dat is geïndexeerd met de prijsinflatie
  •      de premie moet betaalbaar blijven voor het bedrijf.

Het pensioenfonds onderzoekt van tijd tot tijd of het kan voldoen aan deze drie voorwaarden. Bij een dergelijk onderzoek in 2005 kwam de Stichting Pensioenfonds Hoogovens (SPH) tot de conclusie dat aan alle drie voorwaarden kan worden voldaan mits de rendementen in de toekomst niet lager uitvallen dan verwacht en de looninflatie niet hoger uitvalt dan verwacht. Sinds 2005 zijn de rendementen gemiddeld hoger dan verwacht en de looninflatie is door de slechte economische situatie sinds 2008 aanzienlijk lager dan verwacht.

Aan de voorwaarden werd voldaan en toch kregen we geen volledige indexatie.

Waarom niet?

Er zijn nieuwe voorwaarden, dat is het enige goede antwoord. Terwijl het spel aan de gang is zijn de spelregels veranderd. Aanvankelijk leek het dat de enige verandering was dat het pensioenfonds voortaan moest rekenen met een extreem laag toekomstig rendement op basis van de risicovrije rente en niet met het verwachte rendement zoals dat wordt gebruikt om de premie vast te stellen.

 

Maar dat is niet het enige. Er moet zekerheid worden geboden, niet alleen voor de deelnemers die premie hebben betaald maar ook voor toekomstige deelnemers. Het Centraal Plan Bureau (CPB) dat in Nederland een welhaast goddelijke status heeft, berekent op verzoek van de regering de gevolgen van een verhoging van de rekenrente ten behoeve van een verbetering van de dekkingsgraad. Zij komen dan steeds opnieuw met de conclusie dat een verhoging van de rekenrente nadelig uitvalt voor de jongeren en met name voor hen die nu nog op de basisschool zitten. Dat deze kinderen nog niet werken en nog niet deelnemen aan een pensioenfonds en dus nog geen premie hebben betaald en geen rechten hebben opgebouwd doet kennelijk niets ter zake. U gelooft het niet? Lees de volgende passage in het CPB rapport “Effecten van bodem in de rekenrente voor pensioenfondsen”:

De maatregel (verhogen van de rekenrente naar 4%, RdB) is bij continuïteit ongunstig voor cohorten geboren na 2012, doordat zij instromen in een fonds met minder vermogen dan zonder aanpassing van de rekenrente.

Cohorten geboren na 2012 zijn nu zeven jaar of jonger. Zij dreigen in een pensioenfonds in te stromen dat minder vermogen heeft. Dat suggereert toch dat zij recht hebben op een deel van het vermogen dat door hun voorgangers werd opgebouwd? Dat is niet uit te leggen aan die voorgangers.

Hieronder staat het overzicht van alle verplichtingen van het Pensioenfonds Hoogovens, inclusief de aanpassingen van de uitkeringen aan de inflatie (in het rood). Bij elkaar opgeteld gaat het om € 9.577 miljoen over de komende 65 jaar. Maar volgens de opvattingen van De Nederlandsche Bank en het Centraal Planbureau, daarin ondersteund door bijvoorbeeld de aan de Tilburgse universiteit verbonden researchgroep Netspar, moet er aan het eind van de rit nog geld in de pot overblijven voor de huidige basisscholieren. Ik vermoed zomaar dat het hier gaat om het vereiste eigen vermogen, ongeveer 22% of rond € 2 miljard. Volgens het jaarverslag van ons pensioenfonds zit er al 87% in kas van al het geld dat nodig is voor de huidige openstaande verplichtingen voor de komende 65 jaar. Maar volgens het CPB en anderen moet er veel meer in kas zitten en zou maar 72% zijn gedekt.

 

 

Vasthouden aan deze redenering is onverdraaglijk onrechtvaardig. Want deze conclusie betekent dat gepensioneerden hun jaarlijkse verhoging van de uitkering moeten inleveren ten dienste van een geïndexeerd pensioen voor jongeren ook als die nog geen pensioen opbouwen. Herstel van deze tijdelijke opoffering is onwaarschijnlijk, niet alleen omdat de eisen voor inhaalindexatie zo streng zijn maar ook omdat tegen de tijd dat herstel zich aandient de betrokken gepensioneerden meestentijds zullen zijn overleden. Terwijl zij voor zichzelf wel voldoende hadden gespaard, inclusief een eigen vermogen dat volledige indexatie mogelijk maakte.

 

Rob de Brouwer

 

Inlogformulier

Lees voor u gaat registreren: Uitleg registreren en inloggen (hiernaast)

Onthoud mij